Feed on
Artikels
Commentaren

Vijfde open brief van Piet de Moor aan Peter Vandermeersch, algemeen hoofdredacteur van De Standaard

Mijnheer de algemeen hoofdredacteur

Ik was blij toen ik gisteren, vrijdag 14 juli, mijn opiniestuk Blokfluiten voor het Vlaams Belang in De Morgen zag staan. Die vreugde had zeker ook te maken met het kleine geluk dat elke schrijver ervaart als hij zichzelf in druk ziet. Gedrukt voelt de schrijver zich aangekleed. Maar dat geluksgevoel steunt nog veel meer op het feit dat uw collega’s van De Morgen me uit het cordon sanitaire hebben gehaald, waarin u me maar al te graag had zien uitdrogen in deze blakende zomerzon. Niet dat ik me intussen eenzaam heb gevoeld, want ik kreeg hopen brieven van bezorgde, geïnteresseerde en vooral blij verraste lezers – vrienden, kennissen maar ook veel mensen die ik niet ken – die me aanmoedigden om deze serie epistels voort te zetten. En zelfs als de tendens van die lezerspost ook al eens somber en bitter was, toch stak hij me een hart onder de riem, want uit bijna alle brieven sprak immers de hartstochtelijke hunkering naar het behoud van al datgene wat het leven de moeite waard maakt om het te leven. Ik voel me nu een beetje als Cato die vond dat hij onder zijn tijdgenoten zowel vrienden moest hebben om zijn kwaliteiten te tonen als vijanden om zijn kracht te ervaren.

Hoe meer mijn brieven worden verspreid – en ze zwermen uit, dat kan ik u garanderen – hoe meer we uitbreken uit het cordon waarin u al degenen die de huidige gang van zaken niet willen slikken, meende op te kunnen sluiten omdat u nu eenmaal liever de brullende kooi van het totalitarisme openmaakt dan dat u de kwieke vogels van het vrije woord wilt horen zingen.
Ik geef toe, toen ik u de eerste brief schreef had ik geen idee waar ik zou belanden. Het is een raar gevoel als je na het springen constateert dat je al vallend de stukken van je parachute nog moet assembleren. Maar die val had ook iets verheffends en verhevens toen ik merkte dat ik mijn parachute niet nodig had omdat mijn val werd afgeremd en gebroken door de veerkracht van het goede woord dat uit de pen van mijn vrienden vloeit.
Inmiddels zijn deze brieven bouwstenen van een huis dat ik al lang niet meer alleen aan het bouwen ben. Het zijn immers mijn vele bondgenoten die me nu inspireren en me voortstuwen in mijn elan. Materiaal heb ik genoeg, dat is geen probleem. En al hoeft het bouwwerk niet bescheiden te zijn, een kasteel met veel comfort moet het ook niet worden. Ik hecht meer belang aan de tuin eromheen, aan het malse gras en de schaduwrijke bomen onder wier knisperende bladerdak ik me in mijn verbeelding al zie zitten met mijn vrienden, nippend aan een glas koele witte wijn. Ik hoop dat dit huis, waarin ik al mijn vrienden op het gastmaal wil ontvangen, nog vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober bewoonbaar is.
Ik wil niet dat u me verkeerd begrijpt, mijnheer de algemeen hoofdredacteur van De Standaard, want ik krijg ook kritiek en ik kan daar goed tegen. Een vriendin schrijft me dat ik me vergis als ik alleen de media de schuld voor de opgang van het totalitarisme in Vlaanderen aanwrijf. Toen ik mijn opiniestuk herlas, gaf ik haar gelijk. Weliswaar heb ik ook geschreven dat het succes van het VB te wijten was aan een duizelingwekkend proces van kwaliteitsverlies op elk niveau, maar die passage kreeg te weinig gewicht, zodat de balans te veel doorschoot naar de rol en de verantwoordelijkheid van alleen maar de media. Het kan echter ook zijn dat ik onbewust de gebreken van de media benadrukt heb, en dat was dan toch weer niet zonder reden.
Nu ik er beter over nadenk, bedoelde ik vooral: in het hele overlevingspakket dat we in de toekomst zullen moeten samenstellen om weerwerk te bieden aan tendensen die het ontstaan van modderpoelen als het VB mogelijk maken, is het uitoefenen van pressie op de media om betere informatie, grondiger analyse en dus meer kwaliteit te bieden, het dringendst en het noodzakelijkst. Het nastreven van zo’n koerswijziging bij de media is een redelijk plan. De realisering ervan zal door velen worden toegejuicht. (En mijn vermoeden dat het niet onmogelijk is om als individu druk uit te oefenen op de media, werd bevestigd door de vraag van De Morgen om een opiniestuk te schrijven op een moment dat ik zo’n invitatie al niet meer verwachtte.)
Nog belangrijker is echter dat we een maatschappelijke koerswijziging bewerkstelligen waarin op alle niveaus – thuis, het onderwijs, het werk, de media – de kwaliteit weer een hoofdrol gaat spelen. Over die kwaliteit die we nu zozeer moeten ontberen, zou ik iets fundamenteels willen zeggen. Ik denk namelijk dat onze bezorgdheid om de handhaving en de verbetering van de levenskwaliteit een van de voornaamste redenen is om het VB in Vlaanderen uit het bestuur te weren. U weet het al: ik ben bang dat de rechtsstaat het onder een totalitair VB-bestuur hard te verduren krijgt. Maar ik vrees ook dat obscurantisme en middelmatigheid voorgoed vaste voet aan de grond zullen krijgen. Vooral ben ik bang dat kwaliteit en schoonheid definitief in een cordon sanitaire terecht zullen komen, wat nu al weerspiegeld wordt in allerlei campagnes die het verwerven van kennis verdacht willen maken en die obscure slogans lanceren volgens welke ‘de wetenschap niet op de publieke opinie vooruit mag lopen’. Zelf vind ik dat iedereen het recht op het mooiste en het beste, en dus ook op het moeilijkste heeft. Daarom blijf ik bijvoorbeeld herhalen dat het resultaat van de democratisering van het onderwijs de individuele beheersbaarheid van kwaliteit door selectie van de deelnemers had moeten zijn, en niet de algemene toegankelijkheid van de mediocriteit. Op dit moment heb ik echter het gevoel dat de avant-garde van het schone, het ware en het moeilijke te veel in de achterste gelederen strijdt. Ik denk dat ze in onze samenleving een betere plaats verdient.
Als voorbeeld voor iemand die zich in zijn onwaarschijnlijk lastige leven altijd ingespannen heeft, noem ik de schepper van Don Quichot, Miguel de Cervantes, over wie zijn biograaf Donald McCroy schreef: ‘Zijn manier om de middelmatigheid in de literatuur te bestrijden was om in elk genre dat hij aanpakte het allerbeste te produceren, of dat althans te proberen.’ Ik vermoed dat de grote Portugese dichter Fernando Pessoa slechts een beetje overdreef toen hij in een van zijn brieven noteerde: ‘Wees blij! Alleen dingen waarvoor je je moet inspannen zijn de moeite.’ Cervantes en Pessoa – maar ik denk ook aan Charles de Coster en zijn Uilenspiegel – waren bezorgder om de kwaliteit van hun werk dan om roem of winst. Ze omringden hun werk met goede zorgen, dat wil zeggen dat ze het voedden met al het mooie, goede en ware dat om hen heen al bestond, met hun ervaringen, hun lectuur en hun passie voor de vrijheid. Innerlijk waren ze meesters die altijd bereid waren om te leren, alsof ze onbewust de mooie slotzin huldigden die de Italiaanse schrijver Claudio Magris in zijn essay Meesters en leerlingen formuleerde: ‘Een leerling te zijn en te blijven is al heel wat, het is reeds bijna meester zijn’. Cervantes, Pessoa en De Coster waren energiek. De innerlijke bronnen die hen voedden, droogden nooit op en hun voorraden aan kennis en ervaring waren goed gestapeld. Want ik denk werkelijk dat we het innerlijk van een mens kunnen vergelijken met het ruim van een schip dat geladen wordt. Als de eerste kist niet goed in het ruim past, kan de rest van de vracht niet degelijk gestapeld worden. Ook in de mens moet vanaf het begin de lading goed verdeeld zijn over het ruim en moet ze deskundig worden vastgesnoerd, zodat de vracht niet gaat schuiven bij de eerste windstoot en het schip niet begint te slingeren en vergaat bij de eerste storm die opsteekt.
Dat van elkaar willen leren zoals Claudio Magris het ziet, is een dynamisch en spannend proces dat niet gebonden is aan leeftijd of geslacht. Het is een houding die het leven adelt tot een avontuur waarin ruimte is voor iedereen en waarin we ons kunnen laten inspireren door grote voorbeelden (geen idolen!) en door de magistrale werken der verbeelding. Want als er iets is dat in ons leven verloren dreigt te gaan en te verzanden in een zee van zoute droogte, een oorzaak van al die giftigheid, van al die lelijk- en stompzinnigheid die we overal zien opdoemen om ons heen, dan is het wel de kracht van de verbeelding, die onzichtbare en grillige ruimte waarin de ziel houvast vindt om zich in schoonheid uit te leven, een ruimte die groot genoeg is om met elkaars gebreken om te gaan.
Ik stel me de verbeelding voor als een ruime, koele kamer waarin de schoonheid huivert. Ik heb echter de indruk dat de toegangen tot die koele kamer overal worden dichtgemetseld door al diegenen die ons willen doen geloven dat het leven niets anders is dan de hitsigheid van de economie en piekende cijfers, dat het niets anders is dan conformisme, blinde sociale integratie en opeenhoping van snel verzengde sensaties. Want als dat zo is, dan vrees ik dat de ‘rusteloos werkloze’ mensen zoals Seneca ze in zijn Dialogen beschreef te veel hun stempel op de samenleving gaan drukken: ‘Zonder vast plan zwerven ze rond, op zoek naar bezigheden, en ze doen niet wat ze zich hebben voorgenomen, maar waar ze toevallig tegenaan zijn gelopen. Doelloos is hun tocht, het haalt niets uit, zoals mieren over boomstammen krioelen; ze krioelen tot in de hoogste top en vandaar omlaag, zonder dat het iets oplevert.’
Des te meer apprecieer ik de billijkheid van de redacteurs van De Morgen, die mijn uitval tegen de media en ook tegen hun eigen krant hebben aangegrepen om me een opiniestuk te laten schrijven. Ik wil hier in het kort vertellen hoe dat ging. Bert Bultinck, een redacteur die bij De Morgen de rubriek De Gedachte verzorgt, overviel me op woensdagnamiddag 12 juli met het voorstel om een stuk over het cordon te schrijven. De aanleiding was een voorstel van de SP.A’er Tuur van Wallendael om in Antwerpen het cordon te laten springen. Toen Bert Bultinck me belde, lag ik in Overmere Donk lui op mijn buik naar het glinsteren van het water te kijken. Maar ik voelde me niet gestoord, want door dat telefoontje had ik meteen het goede gevoel dat er nog niets verloren was. Ik was blij te ervaren dat er nog een wereld bestaat waarin oprechte kritiek een beter resultaat kan opleveren dan willekeurige vleierij, want het zeggen van wat me als de ongezouten waarheid voorkomt, behoort immers ook tot de inzet en het onderzoek van mijn brieven en van mijn leven als intellectueel. Ik prees me gelukkig, omdat ik het gevoel had dat ook grote ruzies bijgelegd kunnen worden als er in de strijdende kampen maar goede wil is en fair play. Maar toch, het teken van De Morgen kwam voor mij geen moment te vroeg. En ook haast ik me om te zeggen dat er geen enkele reden is om nu in zelfgenoegzaamheid weg te zakken of De Morgen minder kritisch te gaan volgen. Ik ben echter blij dat een breuk vermeden is en dat we elkaar nu misschien beter kunnen bijstaan in onze pogingen om de vijanden van de open maatschappij de wind uit de zeilen te nemen en de opengesperde monstermuil die ons en onze kinderen wil verslinden, voor altijd dicht te timmeren. Veel tijd hebben we niet meer.
Een eerste voorwaarde om te slagen en om de slag van de media en van de kwaliteit te winnen, is niet dat we het op alle punten met elkaar eens zijn, maar dat we juist kritiek van elkaar verdragen. Daarom betreur ik het dat u, mijnheer de algemeen hoofdredacteur van De Standaard, op geen enkele van mijn brieven geantwoord heeft, dat u gedraald heeft tot het te laat was, want dat afweren en koppig zwijgen siert u niet, dat zwijgen haalt u naar beneden als intellectueel en het maakt u klein als mens. Intussen lijkt het wel alsof u geen argumenten heeft, en ik vermoed dat u er geen heeft en geen kunt hebben, want zelfs als u eens een commentaar schrijft waarin u de partij van het totalitarisme één keer aanvalt (DS van 7 juli, Zingen voor verdraagzaamheid), slaat u het monster nooit zonder het te zalven, te zegenen en te voeden met uw suikerwaterpen, zodat het monster u zelfs binnenskamers prijst voor uw gespleten tong. Maar maak u geen illusies, en denk maar niet dat het monster u met rust zal laten als het ooit de kans krijgt om in uw Troje huis te houden, dat Troje waarvan u zo ijverig de muren aan het slopen bent, steen voor steen.
Maar eerst nog een laatste woord over en voor mijn lezers. Sommigen zijn verbaasd dat de ietwat schrille, hoge toon van de bitterbrieven niet terug te vinden is in het opiniestuk Blokfluiten voor het Vlaams Belang, het stuk dus dat in De Morgen verscheen en dat ook aan deze brief voorafgaat. Daarop kan ik alleen maar antwoorden dat het geschal van een grote trompet gemakkelijker gehoord wordt dan van een kleine, en dat dus op de kleine harder geblazen moet worden. Niettemin heb ik geprobeerd om ook in mijn opiniestuk in De Morgen naar het goede beeld te grijpen, want ter zake huldig ik de mening van mijn grote leermeester Michel de Montaigne die eveneens het beeld van de trompet gebruikt om duidelijk te maken hoe belangrijk de vorm is, hoezeer de vorm de toon en dus de kwaliteit bepaalt: ‘Zoals geluid dat wordt geperst door de nauwe buis van een trompet scheller en luider klinkt, zo komt het mij voor dat een zinsnede die is samengebald in de afgepaste voeten van het vers, veel krachtiger naar buiten treedt en mij meer raakt en overtuigt’.
Denk daar maar eens over na, mijnheer de algemeen hoofdredacteur van De Standaard, als u daar in Toscane als een volleerde Salieri weer mineure composities aan het verzinnen bent voor latere uitvoeringen op uw standaard-dubbelfluit.

Geen tags bij dit artikel.

Gerelateerde artikelen

Trackback URI | Comments RSS

Geef een antwoord

 

Door hier een reactie achter te laten geef je deze site de eeuwige toestemming om jouw woorden en naam/web site te reproduceren als bron.