Feed on
Artikels
Commentaren

Derde open brief van Piet de Moor aan Peter Vandermeersch, algemeen hoofdredacteur van De Standaard.

Mijnheer de algemeen hoofdredacteur

Ik heb een grote waardering voor mijn postbode. Hij bezorgt me elke dag de post en het gebeurt zelden of nooit dat er brieven in mijn bus zitten die niet aan mij zijn geadresseerd. U kunt nu wel zeggen dat dit toch niets bijzonders is en dat de postbode alleen maar doet wat hem is opgedragen. Zo simpel is het echter ook weer niet, want ik woon in een appartementsblok waar het brievenbussysteem nogal chaotisch is, zodat ik het mijn postbode niet eens kwalijk zou mogen nemen als hij zich af en toe eens zou vergissen, wat hij niet doet.

Wat is het leven zonderling! Toen ik daarnet voor mijn laptop ging zitten en deze nu al derde bitterbrief aan u begon te schrijven, had ik er nog geen idee van hoe ik hem zou openen. Eerst dacht ik te beginnen met de vraag die u niet graag hoort, namelijk hoe het toch komt dat u er niet meer aan herinnerd wilt worden dat De Standaard voortdurend zou moeten herinneren aan de criminele opvattingen van Gerolf Annemans, die de rechtsstaat bedreigde (en bedreigt) door te zeggen dat hij de rechters die het VB als een racistische partij veroordeelden, later wel zou vinden.

Toen ik deze opening had verworpen, overwoog ik om te beginnen met het oude, maar daarom niet minder actuele verhaal over een houten paard dat, zodra het binnen de muren van Troje was gesleept, een bende moordenaars uitbraakte die een bloedbad aanrichtten onder de bevolking in de misleide stad (Vergilius, Aeneis, tweede boek). Maar ik open dus op een andere manier, ik heb het beeld van mijn postbode voor ogen, en ik ben zelf verbaasd, want tien minuten geleden had ik niet kunnen vermoeden dat ik al na een paar regels het besluit zou nemen om deze brief ook aan mijn postbode te bezorgen.

Ik zou nog andere voorbeelden kunnen aanhalen van mensen die zoniet mijn vrienden, dan toch mijn bondgenoten zijn geworden omdat ik me normaal gedraag. Ik versta geen woord van de vreemde en potige kerels die in de carwash op de Brusselsesteenweg in Ledeberg (Gent) mijn auto schoonmaken, maar ik ga wel vriendelijk met hen om. Dat we geen woorden hebben om elkaar te verstaan, is juist het onderwerp van onze gebarentaal, van onze gekscheerderij, van het trekken van scheve smoelen, wat natuurlijk ook een vorm van communicatie is. Ik voel dat die kerels zelf genieten van het plezier dat ik schep in het volgen van hun werkzaamheden, hoe ik opga in het schouwspel van de duivenstront die onder de hoge druk van hun waterspuiten als confetti in het rond spat en neerdwarrelt in het bad dat mijn auto neemt. Vorige donderdag, toen ik in weer eens in de carwash was, had ik geen tijd om de binnenkant van mijn wagen schoon te laten maken. Maar of u het gelooft of niet: in de tijdspanne die ik nodig had om in de kleine rekenkamer te vereffenen, hadden die mannen met z’n vieren mijn auto onder handen genomen en hem in een vloek en een zucht gestofzuigd ook. Toen dacht ik: het is op die manier dat een klant zich niet alleen koning voelt, maar dat een mens ook werkelijk koning wordt.

Maar nu ter zake: ik ben de voortzetting van deze nogal eenzijdige correspondentie aan mijn omgeving verschuldigd, want steeds meer mensen vragen me bezorgd of zelfstandige journalisten en publicisten dan de laatste wezens zijn die in dit land geen eigen mening mogen hebben en wier opinie tot in de publicaties van hun gilde wordt doodgezwegen. Ik schaamme dat ik die mensen gelijk moet geven, want u en uw gilde, waarvan ik me distantieer, verkeren inderdaad in de waan dat ze gemachtigd zijn om de grenzen van de vrije meningsuiting te bepalen, of, nog erger, te beperken. Het beschermen van de kliek is in de ogen van deze aanhangers van de zwijgplicht een hoger goed dan het verdedigen van het pluralisme binnen het gilde zelf. Zelf ben ik er echter trots op een nestbevuiler te zijn. Ik vind bijvoorbeeld niet dat een hoofdredacteur zijn tribuut aan de vrije meningsuiting en de persvrijheid heeft betaald als hij een keertje een karikatuur van Mohammed in zijn dagblad heeft gepubliceerd. Dat is als argument zo dun, dat het voor iedereen zo doorzichtig als de kleding van de keizer is.

Mijnheer de algemeen hoofdredacteur, ik wil hier duidelijk zeggen dat ik eigenlijk geen speciale belangstelling heb voor uw persoon. Wat ze ook beweren, ik heb niets tegen u. Degenen die me van een kruistocht tegen uw persoon beschuldigen, kan ik alleen maar zeggen dat ik me bij het woord ‘kruistocht’ niets anders kan voorstellen dan een gulp waar een wind door waait. Het enige wat me aan u stoort is dat u – in tegenstelling tot mijn postbode en de potige mannen van de carwash – blijkbaar niet opgewassen bent tegen de verantwoordelijkheid die met uw positie verbonden is en dat u geen moeite doet om naar iets anders uit te kijken. Vrienden die met u compassie hebben, verwijten me wel eens: ‘Zo’n bitterbrief zou ik niet graag krijgen.’ ‘Ik ook niet,’ zeg ik dan. Sommigen verwijten me dat ik te persoonlijk word en dat u niet verdient wat u van me krijgt, maar het enige antwoord dat ik daarop kan geven is dat ik wel de grootste cynicus zou zijn als ik de cynici in bescherming zou gaan nemen. Want u bent de postbode niet, ook al zou u ook een soort boodschapper moeten zijn, een ambassadeur van de democratische beginselen, van de goede smaak, van de kwaliteit, en ook van de behartiging van de rechtsstaat die u aan uw laarzen lapt als u in navolging van de Warandelaars en de blokfluiten in uw raad van bestuur zegt dat het VB een partij is als een andere.

Nu is het een schrale troost om te weten dat u niet het enige hoofd van Lebak bent dat via de lauwe en gemanipuleerde media onze hersenen probeert te koloniseren. Aan de kwaliteit van het journaal dat de commerciële zender VTM brengt, hoeven we hier geen woorden vuil te maken, aangezien ook de samenstellers van het VRT-tv-journaal – van onze openbare zender dus – ons, tot ergernis van vele journalisten op de nieuwsdesk daar, al lang voor het lapje houden. Als het nieuwsbulletin niet opent met voetbal, tennis of wielrennerij, dan confronteert het ons vanaf de eerste minuut met de zonnekloppers op het strand van Blankenberge en hun diepzinnige commentaren over eb en vloed.

Ik ontken het niet: ook De Morgen is in hetzelfde bedje ziek als het uwe. Al lijdt De Morgen aan een minder dodelijke aanval van krimpzucht dan De Standaard, toch doet die krant me denken aan een oldtimer die kanariegeel gespoten is om zijn defecten te verbergen. Maar wie reist er nu graag langere tijd in zo’n dinky toy? Aangezien ik me echter in de eerste plaats tot u richt, moet ik wel zeggen dat ik niet alleen verbaasd ben over het kwaliteitsverlies, het gebrek aan binnenlandse achtergrondinformatie en politieke analyse in uw blad, ik ben vooral verbouwereerd door de duizelingwekkende snelheid waarmee De Standaard (de standaard van wat, apropos?) zich de laatste weken in vrije val bevindt.

Ik ervaar immers dat ik enkele vooroordelen opzij moet zetten, want als ik de kranten wat grondiger analyseer, merk ik tot mijn verrassing dat de binnenlandse verslaggeving van Het Laatste Nieuws en Het Belang van Limburg vaak beter en alerter is dan die van De Standaard en De Morgen, al heb ik het niet over de tendens. Het was in Het Belang van Limburg dat we al in maart konden lezen welke Limburgse burgemeesters (Kelchtermans en Beuls van het CD&V; Philtjens en Vanschoenwinkel van de VLD) met het VB in zee wilden gaan (geen woord daarover in De Standaard, kijk het maar na). Niet uw dagblad, maar Het Belang van Limburg pakte twee weken geleden uit met het nieuws dat de Vlaamse regering het advocatenkantoor Stibbe had ingehuurd om na te gaan op welke manier het recht van de Vlaamse parlementsleden om stukken van de Vlaamse regering in te kijken, beperkt kan worden.

Waarom lees ik dat niet in De Standaard of in De Morgen? Hoe kunnen we nog weten welk gewicht zo’n politiek feit heeft als u geen moeite doet om te spitten en te duiden? In de plaats daarvan prijst uw collega van De Morgen in zijn circulaires wel zijn chicklit-collectie aan (help me, Sigmund Freud, maar lees ik daar subliminaal niet ook een klit met bijgaande associaties in, of ben ik alleen maar een beetje pervers en ben ik te veel op blokfluiten gefixeerd?) En als ik De Morgen vergelijk met wat die krant een jaar geleden was, dan wrijf ik me toch ook de ogen uit. Dat komt ervan als u beiden elkaar zo enthousiast besmet in uw competitie in de vulgariteit. U bent daar zelfs voor uitgekomen toen u beiden, Peter Vandermeersch en Yves Desmet, als een verliefd stel in het weekblad Humo Vlaanderen recent verblijdde met het nieuws dat u voortaan vrijwillig niet alleen naar maar ook aan elkaar aan het groeien bent.

Ik vond dat amoureus gesprek van u beiden werkelijk een unheimliche zaak, want overal ter wereld nemen Siamese tweelingen grote risico’s om van elkaar los te komen, terwijl u in dat gesprek bijna fysiek in elkaar bent gekropen – u kon het kussen niet laten – om Vlaanderen mee te delen dat uw synergieën (Gleichschaltung lijkt me een geschikter woord) niet alleen meer voor uw eigen producten geldt, maar dat ook de gelijkschakeling van De Morgen en De Standaard zoniet beklonken is, dan toch in het verschiet lijkt te liggen. Aangezien ik er zelf bij was, herinner ik me dat u, mijnheer de algemeen hoofdredacteur, deze wensdroom van een in De Standaard opgegane Morgen een jaar of drie geleden eens op een nieuwjaarsreceptie van uw gazet in een kleine kring heeft gelanceerd.

Als algemeen hoofd van die krant kunt u zich dan installeren met de pet op van al die leidende klerken in de media die hun oekazes alleen nog per e-mail afvuren op hun ondergeschikten, en de handen schudden van al die baasjes die voor gewone stervelingen even onbereikbaar zijn geworden als Zeus op de kille top van z’n Olympus. Want hoe groter de onzin is die de Vlaamse media produceren, hoe arroganter, ontoegankelijker en vulgairder de bazen zijn geworden. In gedachten zie ik die chefs zelfs huiveren bij het denkbeeld dat ze ooit de hand zouden moeten schudden van al die Vlamingen die ze elke dag opnieuw verneuken en vernaaien. Maar die arrogante ontoegankelijkheid van de mediabonzen maakt natuurlijk deel uit van het cynische pantser dat ze hebben aangetrokken om ervoor te zorgen dat ze in hun arena’s en ivoren torens immuun blijven voor alles wat ze ervan verdenken naar kwaliteit te ruiken.

Maar denk alstublieft niet dat uw bolwerk en het cordon sanitaire dat u rond de binnenlandse informatieverstrekking heeft opgetrokken zo stevig is als u denkt, want als een expert in de onzichtbare structuren en aspecten van de macht, zie ik een eerste bres. De geschiedenis puilt uit van de bolwerken die er al niet meer waren toen ze er nog stonden. Ik denk aan de Berlijnse Muur die al veel vroeger met één vinger omvergeduwd had kunnen worden als iemand op dat idee gekomen was. Omgekeerd ben ik wel onder de indruk van structuren die, ondanks hun fysieke en fysische onzichtbaarheid, wel degelijk al hun schaduw werpen en reeds bestaan voor we ze echt kunnen zien. Maar intussen doen mijn open bitterbrieven toch hun werk, ze zijn als termieten die de bomen uithollen tot die, vermolmd, terechtkomen op de betonnen hoofden van degenen die ze moeten treffen.

Mijn medestanders, die niet alleen vrienden en kennissen zijn, maar ook mensen die ik nooit eerder heb ontmoet, reageren spontaan en massaal op mijn open bitterbrieven. Ik zal niet beweren dat ze geestdriftig zijn over wat ik zoal vertel, maar ze hopen wel dat mijn brieven het tij op de een of andere manier kunnen keren en dat de Leviathan weer door de oceanische diepten wordt verzwolgen. Want zie, waar Zeus ontbreekt, is dEUS (naast Helmut Lotti, Will Tura, Clouseau en vele anderen) wél van de partij.

Zelf blijf ik in verbinding staan met schrijvers naar wie ik met bewondering opkijk. György Konrád en Ismail Kadare weten intussen wat hier in Vlaanderen gebeurt. Verder ga ik een beetje krant spelen voor tal van andere experts in het totalitarisme: voor de Nobelprijswinnaars Imre Kertész en Elfriede Jelinek, en voor veel alle andere deskundigen inzake dictatuur en dwingelandij die mijn boek Schemerland, Stemmen uit Midden-Europa mogelijk hebben gemaakt: Claudio Magris, Dzevad Karahasan, Joachim Fest, Thomas Hürlimann, Hanna Krall, Uwe Timm en Rüdiger Safranski.

Ik doe dat allemaal omdat ik ervan overtuigd ben dat onze individuele macht in de samenleving absoluut niet te onderschatten valt en dat het niet eens moeilijk is om dat te bewijzen. Dat betekent niet noodzakelijk dat we altijd en overal onze mond moeten opendoen of dat we de held moeten uithangen, maar wel dat we als Bertolt Brechts mijnheer Keun slim en schrander moeten zijn, dat we de moed niet mogen verliezen en dat elk in zijn positie moet doen wat hij meent wat gedaan moet worden.

Het doel van dit alles, van deze brieven en van datgene wat ze uitlokken, is niets minder dan het stuiten van de opgang en wie weet het begin van de teruggang van het VB. Zodra we immers een segment terugwinnen in de strijd om de hegemonie, kunnen we het verloren terrein opnieuw veroveren om het in te vullen met de beproefde verworvenheden van de open maatschappij, zodat we – zoals de schrijver Joseph Pearce me in een van zijn lucide brieven schreef – eindelijk weerwerk kunnen bieden aan de talloze malcontenten ‘die hun ongekende welvaart en welzijn en hun ongekende vrijheid minder belangrijk vinden dan hun ontevredenheid’. Daarom verheug ik me dat mijn open bitterbrieven inmiddels op verschillende, veelgelezen websites zijn beland, zoals Liberales, CIE (Centrum voor Islam in Europa), KifKif, pdw, Blokwatch, Indymedia en www.parlement.be. Bovendien ben ik verheugd te kunnen constateren dat de kunstwereld eindelijk begint te mobiliseren tegen de rattenvangers en blokfluiten bij wie het triomfalisme al op de gezichten geschreven stond, omdat ze meenden dat de buit van 8 oktober al binnen was.

Ik ben niet geobsedeerd, mijnheer de algemeen hoofdredacteur, al denk ik over dit alles wel veel na. Na het schrijven van deze brief, neem ik me voor om in de avonduren op mijn postzegelterras wat te gaan zitten koekeloeren en bij het drinken van een kloeke karaf koele witte wijn een beetje te regresseren bij het ruisen van de bomen, me een beetje te laten gaan in wat de Hongaarse schrijver György Konrád het geluk van het zelfgekozen infantilisme noemt. Ik houd er namelijk van om mezelf bij gelegenheid vrijwillig een beetje te reduceren tot iets wat in de ogen van de moraalridders niet helemaal kosjer is. Maar dat betekent natuurlijk niet dat ik bereid ben mezelf de hele tijd te verminken tot alleen maar een suffe dwerg – tot de kleine kitsjmens van Hermann Broch – die inhoudsloze liliput-kranten leest en die alleen maar aan het zuurstokscherm van zijn televisie likt. Want pas dan zou ik werkelijk op eigen initiatief een kloon worden van het product dat u als een volleerde Frankenstein in uw heksenlab aan het assembleren bent.

Dat is nu precies wat ik u en uw collega’s in de media zo kwalijk neem en wat zovele anderen die me steunen ook zo boos maakt. Want de media informeren ons gebrekkig of zelfs helemaal niet en ze maken geen uitputtend gebruik maken van de democratische vrijheden. Ze beperken vrijwillig hun recht op vrije meningsuiting dat door hun wankelmoedigheid op het spel wordt gezet. Ze speuren en onderzoeken niet meer, maar geven alleen nog ruimte om te kletsen. Ze vertonen almaar meer de tendens om de mensen te reduceren tot loutere amusementsmachines, en ze trachten ons wijs te maken dat het leven alleen de moeite waard is als het geen enkele inspanning kost. Elke dag weer demonstreren ze dat kwaliteit er niet meer toe doet, want ze slaan ons plat en intimideren ons met almaar meer kortstondige sensaties die uitlopen op premature verzadiging en daardoor op de verzuring die we kennen. Velen nemen het u en uw collega’s samen met mij kwalijk dat u en de rest van de media ons met kitsch en slechte smaak belaagt, dat u ons het gevoel opdringt dat we ons maar beter kunnen schamen voor de waardering die we opbrengen voor wat mooi, goed en werkelijk spannend is in het leven en de wereld. Geen wonder dat de mensen, de lezers en de kijkers zich op de duur door oplichters en rattenvangers in de luren laten leggen. Want het verschrikte, obligate en overal gehoorde antwoord ‘nee’ op de vraag of de media geen groot aandeel hebben in de maatschappelijke verloedering, zou immers door een volmondig en luid ‘ja’ vervangen moeten worden.

Ik raad u aan om op uw vakantie Freuds Onbehagen in de cultuur mee te nemen. Het boekje weegt niet zwaar. In uw valies zal er nog wel een spleet zijn waar u het in kunt schuiven. Het is geen gemakkelijke lectuur, maar dat neemt niet weg dat het een genot is om het te lezen. U kunt uit die suggesties van Freud zelfs wat ongecompliceerd genot putten, mocht het u daaraan ontbreken. Mocht u toevallig met vakantie naar de Noordpool gaan, dan kunt u ‘s nachts in uw iglo uw naakte been uitstrekken om het, verrast door de kou, meteen weer onder de warme beddendeken in te trekken. Wat een genot! En nu valt me plots in dat ik wellicht op dit noordpoolbeeld kom, omdat u zich in een wolk van ijzig zwijgen hult, waaruit ik meen te mogen concluderen dat ik aan de slotzinnen van mijn eerste en tweede brief geen jota hoef te wijzigen en dat ik, mijnheer de algemeen hoofdredacteur, niet mag verwachten iets van u en uw collega’s te horen, niet eens dat u niet aan de discussie deelneemt, en zelfs niet dat u ze sluit nog voor ze begonnen is.

Met bittere hoogachting,

Piet de Moor

Schrijver

Geen tags bij dit artikel.

Gerelateerde artikelen

Trackback URI | Comments RSS

Geef een antwoord

Door hier een reactie achter te laten geef je deze site de eeuwige toestemming om jouw woorden en naam/web site te reproduceren als bron.